Verzamelen en wegduwen!

Romeo and Juliet (II, ii, 1-2)

"What's in a name? That which we call a rose
By any other name would smell as sweet."

Shakespeare
 

Schaatsers, schaatstrainers en ook b.v. televisie commentatoren gebruiken bij het praten over langebaanschaatsen termen als glijden, afzetten, strekken, diepzitten enz.
Wij, als trainers, moeten ons afvragen of we wel de juiste woorden gebruiken voor de bewegingen en houdingen die we onze schaatsers willen aanleren.

                                             Glijden of verzamelen?

Natuurlijk is het zo, dat een (iets gevorderde) schaatser altijd even een moment heeft, dat hij met zijn lichaamszwaartepunt recht boven één schaats staat. Deze schaats glijdt dan even over het ijs, waarbij het lemmet niet in het ijs snijdt, maar vlak over het ijs gaat.

De druk op het ijs is loodrecht naar beneden. Gelukkig "houdt" het ijs en zakt de schaatser niet door het ijs.

 

Het "glijden" is binnen de schaatstechniek is geen doel op zichzelf, maar juist de remmende factor. Het is een noodzakelijk moment om het been, dat van het ijs afkomt, bij te halen en voor te bereiden op het plaatsen. We "verzamelen" dus onze armen, romp en vorige afzetbeen zo dicht mogelijk naar het LZP, zodat we compact de nieuwe afzetbeweging ingaan. Het afzetbeen wordt snel (is niet via de kortste weg) bijgehaald en we zijn al bezig om de valbeweging voor te bereiden! We moeten dit "glijden" zo kort mogelijk houden en kunnen dus beter spreken van de term: verzamelen of voorbereiden op de afzet.

We kunnen natuurlijk wel met beginners of kinderen het glijden oefenen, waarbij we als doel hebben dat ze recht op de schaatsen leren staan.

 

Strekken of wegduwen?

Hetzelfde dilemna doet zich voor bij de term afzetten!
Wanneer we  een schaatser de "veel geplaatste" opmerking geven dat hij zijwaarts moet strekken, geven we niet het moment aan, wanneer hij kracht moet zetten tegen het ijs. Dit kan in het begin van de strekbeweging zijn, of aan het uiterste einde. Het verschil in druk op het ijs en de richting waarin de kracht wordt weggeduwd wordt hierbij verwaarloost.
De "druk op het ijs" is dus niet gevat binnen de term "strekken"!

Het woord strekken geeft het gevoel dat je je moet afzetten van het ijs.
Resultaat is meestal dat de heupen en de romp omhooggeduwd worden en de kracht gaat niet volledig effectief richting ijs, maar gedeeltelijk in de lucht. Daarmee wordt de kracht die je opgebouwd hebt met training te weinig gebruikt voor de snelheid. Bij wegduwen geef je het accent op het wegduwen van de schaats tegen het ijs, waarbij je de romp en heup op dezelfde hoogte houdt.

Wanneer we in plaats van strekken  gaan spreken over wegduwen, zit daar een duidelijke "duw"-actie in. Duwen tegen het ijs en het ijs duwt jou weer terug. De kracht en de richting van deze duw bepaalt de mate van snelheidsvermeerdering. Natuurlijk moeten we de schaats zo snel en hard mogelijk zijwaarts wegduwen!

In mijn schaatstrainerspraktijk schaats ik achter de schaatser aan en zeg bij iedere afzet/wegduwbeweging  "DUW, DUW, DUW..................."

 

Dat bij toerrijders tijdens lange tochten de afzetheup toch iets omhoog komt, is vanzelfsprekend. De heup laag houden kost veel extra energie en kracht. Goede marathonrijders kunnen dit lang volhouden, maar voor de gewone toerschaatsers is dit niet mogelijk.

 

We zullen natuurlijk altijd blijven spreken van afzet, wanneer we het in formules over "arbeid/afzet  en vermogen"  hebben.